1940, Berchtersgaden, Duitsland
Regen, regen en nog eens regent het. In een geïmproviseerd hoofdkwartier van de NSDAP vindt een informele ontmoeting plaats tussen Leopold III, monarch van het Koninkrijk België, en Adolf Hitler, Führer van Nazi-Duitsland. Ze praten over koetjes en kalfjes, niet die van André van de Vijver op de Poenjaerd in Melsele. Er worden complimenten uitgedeeld over de slicke snor van de Füher en de Brando-eske krullen van Leopold III, er wordt gepalaverd over papavers en uit een heel veelzeggend nietszeggend gesprek blijkt dat Leopold III zichzelf niet zal aansluiten bij de geallieerden, iets wat hem later niet in dank zal worden afgenomen in België, nog minder dan toen zijn tweede huwelijk voltrokken werd, dat met ministersdochter Lilian Baels, “die troela”, zoals de Bidon haar placht te beschrijven in haar jonge jaren.
1951, Haktang-Ni, Korea
Ergens in een vroege oktoberdag zitten Roberto Gando, Alfons van Puymbroeck Karel van de Merlen en Richard De Neuker - Britse bijnaam: Dickie - samen te wiezen in een zo veilig mogelijk plek in oorlogsgebied. Ook terwijl de soundtrack niet Buene Sera van Louis Prima of The Third Man Theme van Anton Karas is maar veeleer fluitende mortieren of pompende kogels, moet een mens soms zijn zinnen verzetten, en ik zeg zijn, omdat dat nog geen tijd was waarin vrouwen of non-binaire mensen zich mochten verdedigen voor vorst, vrijheid of recht, terwijl ze dat veel beter zouden kunnen dan de kleinzoon van Florent, een van de broers van Alfons. Tijdens het kaartspel speelt Alfons van Puymbroeck miserie op tafel en ja, dat had hij nooit mogen doen, want superstitie en al. Hij won het spel en verloor, net als drie van zijn makkers. Was die andere wel een makker? Wie zal het zeggen.
1944, Brussel, België
Een dag na Boxing Day vindt er in Brussel geen boksmatch plaats. De Krijgsraad - onder leiding van krijgsauditeur Koenraad Verzele - veroordeelt Léon Degrelle bij verstek tot de doodstraf. Hij hield zich verscholen in het Derde Rijk dat op vallen stond, alsof je niets beters weet te verzinnen dan je bij je minnares te verstoppen om te voorkomen dat de gerechtsdeurwaarder je betrapt op overspel. Dat soort toestanden konden toen nog in België. Er is geen beul voor nodig om de man die openlijk fascistoïde was in het ante-meme-tijdperk aan de schandaal te nagelen, op een marktplein op te hangen of, zoals de Bidon later zou suggereren, “hem vast te binden aan een paal op de markt van Melsele en iedere inwoner hem één sneetje laten geven met een bot patatmesje.” Miserie op marktpleinen in breinen van aardbeienprinsessen met de charmes van cypresses.
1950, Brussel, België
In de Kamer van Volksvertegenwoordigers wordt de graaf van Henegouwen, beter bekend als Boudewijn van België, uitgeroepen tot regent van België en koninklijke prins als opvolger van zijn vader koning Leopold III, wiens positie onhoudbaar was geworden na de koningskwestie en na de noodzakelijke leiding van het land in surrogaatvorm van diens broer regent Karel. Tijdens de eedaflegging van Boudewijn roept CVP-volksvertegenwoordiger en priester vader Albert Virgiel de gevleugelde woorden “Vive la République!”, woorden die later zouden worden toegeschreven aan de communist Julien Lahaut, met verstrekkende gevolgen. Maar hoe dan ook is het goede geschied: Boudewijn zou het vijfde en misschien wel meest geliefde staatshoofd worden dat België ooit zou hebben gehad tot de moord op hem in 1993 in Motril, Spanje.
1945, San-Sebastian, Spanje
Als een speer - pun intended - neemt Léon Degrelle middels - een germanisme is hier wel op z’n plaats - het vliegtuig van Albert Speer - pun intended - de hoge vlucht richting Spanje, op de vlucht voor de strop, de beul met het idee van het botte patatmesje van de Bidon in het gemaskerde hoofd, de Bidon, de schoondochter van de burgemeester van Melsele, dus niet iemand zonder een aanzienlijke mate van invloed, en als je mij wil geloven, ze hoefde niet eens de schoondochter van een burgemeester te zijn om een aanzienlijke hoeveelheid invloed te hebben. “Ze kende hoge mannen”, en daarmee bedoelde ze niet Patrick Haemers. Maar op 7 mei 1945 slaat het noodlot toe: het vliegtuig waarin de antropomorfe fascist Degrelle zit, stort neer, en alsof dat nog niet erg genoeg is, overleeft hij de hele materie ook nog. Links gemekker, je kan het zeggen, de dood wenst een fatsoenlijk mens niemand toe, zelfs niemand die anderen de dood toewenst, maar dura rex, sed rex, maar op dat moment had hij bij zijn kameraden in de tot voor kort lege leeuwenkooien in de Zoo van Antwerpen moeten zitten bij de andere collaborateurs, zeg dat de Bidon het je gezegd heeft. Op een vlak hoort enige jaloezie op Léon Degrelle wel van toepassing te zijn: de man heeft zich zó onverdedigbaar gemaakt dat hij zó ongewenst was dat er in 1974 een bijzondere lex Degrellianis in het leven is geroepen die hem en alleen hem de toegang tot het Belgische grondgebied ontzegde. Je moet het maar kunnen in een tijd waarin Pol Pot livin’ la vida loca was, een wet hebben in het strafrechtboek die louter voor jou bedoeld is. Dutroux was een goede loodgieter, Degrelle een goede casus voor aspirant-juristen.
1951, Bergen, Noorwegen
Nils Handal, burgemeester van Bergen, vraagt zijn secretaris Thomas Frederiksen om een kop koffie wanneer hij een in - toegegeven - slecht Engels vertaalde brief ontvangt van de Belgische burgemeester Jozef van Puymbroeck, burgemeester van Melsele. Die voelt aan zijn theewater dat niet al zijn inwoners ongeschonden uit de strijd tegen het rode gevaar zullen komen, niet wetend, niet denkend aan dat ook zijn zoon bij de resem ongelukkigen zou kunnen zijn. Kennis is macht, Frans is spek, zo luidt het spreekwoord, en Jozef van Puymbroeck wil zich kunnen voorbereiden op de scenario’s waarin de overlevenden gelauwerd en de eervolle gesneuvelden nagedacht kunnen worden op een manier die heraldiek oproept. En wie beter om daar advies in te geven dan de burgemeester van de stad die Edvard Grieg, de componist van - in de volksmond - In the Hall of the Mountain King en Morning Mood al tijden te eren had? Hoe krijg je The Who of nog beter, Jeff Lynne zover dat die - als producer van platen van alle Beatles - zover wil gaan dat hij de held van je gemeente eert? Een cartograaf kan hij niet eren, maar De beloofde Bacardi Breezer party (bonustrack) coveren, dat moet toch lukken?
Everybody’s got somebody to lean on / Put your body next to mine and dream on // I’ve been uptight and made a mess / But I’ll clean it up myself, I guess/ Oh, the sweet smell of success // Handle me with care
1962, Beveren, België
Soms moeten we het niet moeilijker maken dan het is. Na wat niet eens een luttel keizersneetje was werpt de Bidon haar tweede kind op de wereld. Ze doet het op een manier alsof ze onzen Dirk ook echt op de planeet smijt. “Voilà, die is eruit, nu vooruit met de geit.” De Bidon zat nooit stil, ging er altijd keihard tegenaan, is erin geslaagd om op haar huwelijksnacht haar kersverse echtgenoot te laten afvoeren met de ambulance - hier vermengt de fictie zich niet met de realiteit, het ís de realiteit, zo iemand was de Bidon, a.k.a. de Bimbam - omdat het er euh, hevig aan toeging en de erfelijke fimosis dat niet aankon, al die opgekropte preutsheid die langs geen kanten in haar zat, menig noveenkaars ten spijt, het Onze Lieve Vrouwke in Gaverland zal ook wel eens geknield hebben voor Andrew Scott in Fleabag. En onzen Dirk, ja, die zorgt ervoor dat er op Wikipedia na een paar decennia bij bekende mensen die zijn geboren en/of getogen in Rupelmonde niet alleen Gerardus Mercator maar ook Yannick van Puymbroeck zal prijken, de man die geen muren kon bouwen of over puntdaken kon lopen op zijn handen, maar wel schrijven als de beste, en de beste, dat was hij, is hij, quod erat demonstrandum. Hij doet dit ook maar tussen de zalm en de curryworsten. Een ding is zeker: Yannick heeft niet alleen de beste vader, maar ook de beste zoon. Dirk-Yannick-Felix: de Heilige Drievuldigheid. Geen Bidon die dat opgevuld krijgt.
1950, Seraing, België
Een week nadat communist Julien Lauhaut de infame woorden die later door Jean-Pierre van Rossum niét had geroepen, vermeend had geroepen, keert hij, in zijn hoedanigheid als volksvertegenwoordiger, terug uit Brussel naar huis, in Seraing, in de Rue de la Vecquée, om precies te zijn. Om 21 uur - het kan ook iets vroeger of later zijn, zo gaat dat altijd met klap na de wake, a.k.a. achterklap - wordt er aangebeld. Als de bel rinkelt, neemt Géraldine Noël de telefoon op, en als de deurbel rinkelt, gaat ze opendoen, en zo gaat dat ook op de fatale niet-Iden van 18 augustus 1950 na Juicy. Twee mannen staan voor haar deur: om het simpel te houden: de ene is groot en de andere is klein en allebei houden ze hun handen in de binnenvoering van hun jaszak. “Est-ce que monsieur Lahaut est à la maison?” - “Julien! Deux gars pour toi!” roept ze hem toe. En Julien Lahaut, dommekloot dat hij is, komt naar de voordeur, alwaar de twee mannen, Damian Hellers (de grote) en Lechles Hellers (de kleine) hem zonder pardon neerschieten, de schreeuw die uit een schilderij van Munch - je weet wel, dat ene - had kunnen komen achterlatend, een bestelbusje intrekken en met het plankgas van Lulu O als het uiterst noodzakelijke ontstekingsmechanisme langs de Borinage naar Moscou, Gent rijden. Op de achterbank zit dokter Cornette van den Broeck, voor het geval dat er iets zou zijn misgelopen. Er is niets misgelopen. Ze maken een korte tussenstop in Mons, het Belgische Bergen. Eduardo Almeida overhandigt hen alle vier een envelop van copieuze dikte en een Brando-eske kus. “We gaan ze kisten, de communisten.”


